J. Hannes. Met de fiscale bril bekeken. Vlaanderen in BelgiŽ, 1830-1914


Prof. dr. Juul Hannes publiceerde dit artikel in het Huldeboek Marcel Bots. U vindt hier de integrale tekst.

J. Hannes, "Met de fiscale bril bekeken. Vlaanderen in BelgiŽ, 1830-1914" in : A. Verhulst & L. Pareyn (red.), Huldeboek Prof. dr. Marcel Bots. Een bundel historische en wijsgerige opstellen, Gent, Liberaal Archief, 1995, pp. 167-194.


Inleiding

"Dat ziekelijke, verzwakte volk, dat zich de vreemde taal liet opdringen, vond ook geene kracht om zijn stoffelijk belang te doen gelden, en bleef met dezelfde verduldigheid zoowel onder het stoffelijke als onder het zedelijke onrecht gebukt."

Julius Vuylsteke, 1867-1868

Met een van verontwaardiging druipende pen schreef Julius Vuylsteke in 1867 dat de Vlaamse provincies sedert 1830 bijna 26 miljoen goudfrank te veel aan grondlasten hadden betaald. De herziening van de kadastrale inkomens, bevolen in 1860 en voltooid in 1867, had het onrecht aan het licht gebracht en hersteld. Enigszins voorbarig vervolgde hij: "En hebben wij geene reden om het jaar 1867, waarin eindelijk de wet tot stand kwam, die dat schromelijk onrecht, waaronder wij sedert zooveel jaren gebukt gingen, voor 't vervolg zou uitroeien, uit dat oogpunt als een gelukkig jaar in herinnering te houden?".

Wat de grond van de zaak betreft, vergiste hij zich niet. De in 1835 bij wet vastgespijkerde aandelen van de provincies in de verponding van de grondlasten waren spoedig achterhaald, zowel door de economische achteruitgang van Vlaanderen als door de snelle opgang van de Waalse provincies. De kadastrale perekwatie had de reŽle pachtprijzen van de jaren 1849 tot 1858 in rekening gebracht en het bleek daaruit dat sedert de jaren 1812-1826, waarop de vorige belastingbasis berustte, de gronden in de Waalse provincies een veel sterkere waardestijging hadden gekend dan deze in Vlaanderen. Zijn becijfering van de totale schade voor Vlaanderen was wel overdreven. Een eenvoudige lineaire interpolatie vanaf 1835 van de in 1867 aanvaarde correctie, leert dat Vlaanderen ongeveer 16 miljoen frank te veel had betaald, WalloniŽ en Brabant respectievelijk 12 en 4 miljoen te weinig. In een verpondingssysteem - dat trouwens ter gelegenheid van de perekwatie werd afgeschaft - moesten de fiscale goden hun getal hebben; het tekort van de ene werd bijgelegd door de rest. In de jaren 1831-1835 was de overbelasting van Vlaanderen wel ernstiger geweest, wat het totale bedrag op 19 miljoen kan brengen.

De vreugdevolle uitroep over het uitroeien van het onrecht was niet goed geÔnspireerd. Zowat veertig jaar later kwam Lodewijk de Raet op hetzelfde onderwerp terug met een identieke klacht. "Naar onze berekeningen heeft de grond tot de landbouw bestemd in de provinciŽn Oost- en West-Vlaanderen, Brabant, Antwerpen en Limburg, tusschen 1866 en 1895, 1.220 millioen aan waarde verloren, de vermindering voor de Waalse provinciŽn bedraagt slechts 928 millioen, zoodat sedert ongeveer 20 jaar (te rekenen vanaf 1885) de Vlamingen 300 millioen meer dan de Walen aan belasting betalen voor een grondwaarde die feitelijk niet meer bestaat". De economische evolutie had zich inderdaad niet gehouden aan de fiscale wetgeving en van een aanpassing van de fiscaliteit aan de evolutie van de werkelijke grondinkomens was er zeker geen sprake geweest, zodat de indruk ontstond dat Vlaanderen weer eens benadeeld werd. Een rechtvaardiger verdeling van de lasten zou mogelijk zijn geweest mits regelmatig herhaalde perekwaties, maar die werden niet uitgevoerd en de overschatting van de waarde van de gronden in Vlaanderen bleef bestaan, echter niet op de manier die de auteur vermoedde. Het door L. de Raet geciteerde bedrag van 300 miljoen berust op een vergissing; hij verwijst naar de verkoopwaarde en hij had de pachtwaarde als basis voor de belasting moeten nemen. Rekening houdend met de evolutie van de officiŽle pachtprijzen werd Vlaanderen zelfs niet benadeeld; de belastingdruk op het grondinkomen nam gelijkmatig toe in Vlaanderen en WalloniŽ. Er was iets anders aan de hand. De grondbelasting diende het gemiddeld netto-inkomen te belasten. Dat zuivere inkomen was echter onmogelijk te achterhalen en er werd dan maar ondersteld dat de pachtprijs een redelijke basis vormde voor de aanslag. In normale omstandigheden zal die prijs inderdaad een evenwichtspunt vormen tussen wat de eigenaar wenst te ontvangen en wat de pachter kan betalen. In het overbevolkte Vlaanderen stegen de pachtprijzen echter tot een onredelijk peil als gevolg van de grote vraag en droeg de grond dus ťn een hoge pacht ťn, gezien het belastingcriterium, ook nog eens een belasting die niet meer in verhouding stond tot de reŽle inkomens. Wat Lodewijk de Raet inspireerde was het feit dat de Vlaamse landbouw sedert de jaren 1875-1880 in een uitzichtloze crisis was gesukkeld, dat de inkomens instortten en dat ondanks dat alles de grondbelasting ongewijzigd bleef en dus zwaarder ging wegen. Zijn verontwaardiging was oprecht en terecht maar, helaas, de fiscale goden zijn nu eenmaal onverschillig voor menselijk leed. Ook de precisering dat het aandeel van de lasten op de landbouwgrond in het geheel van de fiscale ontvangsten van de Staat in de periode 1875-1900 was gehalveerd (van 8,9 tot 4,4%), kon het ontredderde platteland niet opluchten omdat die relatieve daling enkel een gevolg was van belangrijker inkomsten uit andere sectoren.

Julius Vuylsteke en Lodewijk de Raet, twee scherpzinnige waarnemers, legden in de geciteerde teksten de nadruk op de grondbelasting. Vlamingen hebben wat met hun grond. Waren de andere fiscale heffingen dan rechtvaardiger verdeeld of werd het onrecht niet opgemerkt?

Was Vlaanderen dan toch welvarend?

Recent onderzoek bracht aan het licht dat Vlaanderen in de 19de eeuw een ruim deel opbracht van het fiscale inkomen van de Staat. De vier integraal Vlaamse provincies vertegenwoordigden in de jaren 1831-1914 44,1% van de Belgische bevolking en er werd 44% van de belastingen opgehaald. De vier Waalse provincies waren goed voor een bevolkingsaandeel van 38,2% maar ze brachten slechts 30% op van de nationale belastingen. De provincie Brabant tenslotte telde 17,7% van de bevolking maar bracht 26% in de staatskas. De beperkte inbreng van het industriŽle WalloniŽ was een verrassing; per inwoner betaalde het zuiden slechts 78,4% van wat in het noorden werd opgehaald. Iets dieper gravend in de cijfers werd gepoogd welvaartsverschillen tussen de regio's vast te stellen maar betekenisvolle afwijkingen werden toen niet gemeten op het niveau van de gezinnen, meer bepaald wat betreft de kwaliteit van de huisvesting. Wel bleek uit een beperkte steekproef dat de personele belasting in 1891 in Vlaanderen meer gezinnen trof dan elders en dat die gezinnen gemiddeld meer betaalden dan de Waalse. Er kwam in Vlaanderen dus meer belastbare materie aan de oppervlakte per inwoner of per gezin dan in WalloniŽ. Kan daaruit het besluit volgen dat Vlaanderen welvarend was of was er sprake van relatieve overbelasting? Het lijkt toch onwaarschijnlijk dat de vier Vlaamse provincies gemiddeld 44% van het nationaal inkomen realiseerden. En wat kan dan de lage inkomens in WalloniŽ verklaren?

Het spoor zal nu verder gevolgd worden aan de hand van de personele belasting, die op uiterlijke tekenen van welvaart werd geheven, en van de erfenisrechten, een vermogensbelasting. In een laatste paragraaf volgt nog een uitweiding over het patentrecht, de 19de-eeuwse bedrijfsbelasting. Het is de bedoeling diep te graven in de fiscale cijfers van de 19de eeuw, niet alleen omdat de betaalde bedragen een historische realiteit zijn en toelaten na te gaan wat de verschillende regio's bijdroegen, maar omdat de beginselen ervan steunden op de idee dat elkeen in verhouding tot zijn inkomen diende bij te dragen. De belastingen werden dus geacht een afgeleide te zijn van de inkomens en de belastingcriteria weerspiegelden dan de oorsprong van de inkomens. Het is natuurlijk wel opletten met een fiscale wetgeving en met de manier waarop die in de praktijk werd gebracht.

Diep graven kan. In de 19de eeuw werden in de "Annales parlementaires" en de "Documents parlementaires" uiterst gedetailleerde begrotingen en rekeningen gepubliceerd en de boekhoudkundige opmaak ervan was uitstekend. Jaarlijks verscheen een echt boekdeel met als titel "Compte dťfinitif du budget de l'exercice..." en een paar jaar later kwamen nog veel meer gegevens betreffende hetzelfde begrotingsjaar aan bod onder de hoofding "RŤglement dťfinitif du budget de l'exercice ...". En het is een hele geruststelling voor de gebruiker van deze documentatie als die na duizend bladzijden cijfers vaststelt dat de diverse rekeningen een verschil vertonen van 4 frank en 18 centiemes en de Minister van FinanciŽn krachtdadig besluit met de woorden "ŗ expliquer par le Directeur-Gťnťral". Vrijwel alle informatie werd op het niveau van de provincies meegedeeld, wat ons toelaat de ontvangsten per regio te hergroeperen. De documentatie is zo rijk dat de omvang ervan een probleem op zich vormt en tot eindeloos rekenwerk dwingt. Wellicht is het daardoor te verklaren dat nooit een Vlaams volksvertegenwoordiger de jaarlijkse boekdelen fiscale cijfers heeft gelezen waarvan hij de publikatie beval. Voor deze bijdrage werd een omvangrijk gegevensbestand samengesteld, maar slechts enkele steekproefresultaten zullen het betoog illustreren.

a) De personele belasting

Deze belasting trof de gezinnen die een bepaalde welvaart tot uiting brachten door hun wooncultuur (de huurwaarde van het huis, het aantal buitendeuren en vensters, het aantal haarden en de waarde van het meubilair) en hun levensstijl (huispersoneel en luxepaarden). De idee was dat als het reŽle inkomen van de gezinnen niet te achterhalen is, hun bestedingen doorgaans de financiŽle draagkracht vrij precies weergeven.

In tabel I werden een aantal gegevens samengebracht die toelaten de toestand in 1840 en 1850 te ontleden.

Tabel I. De personele belasting in 1840-1850

  (1)
aantal art.
(2)
bedrag
(3)
bevolkings
aandeel
(4)
aantal gezinnen
(5)
betalende gezinnen
(6)
bedrag gezin
  x 1000 % x 1000 % % x 1000 %  
1840                
Vl. 182 52,0 4160 49,5 48,3 394 46,2 22,9 F
Wal. 114 32,5 2322 27,7 36,5 317 36,0 20,4 F
Brab. 54 15,5 1913 22,8 15,2 133 40,6 35,4 F
Tot. 350 100 8395 100 100 844 41,4 24,0 F
1850                
Vl. 187 50,4 4328 47,3 45,7 406 46,0 23,2 F
Wal. 121 32,6 2577 28,1 37,7 351 34,5 21,3 F
Brab. 63 17,0 2248 24,6 16,6 151 41,7 35,7 F
Tot. 371 100 9153 100 100 908 40,9 24,7 F

    (1) aantal kohierartikels, gelijk te stellen met het aantal gezinnen of het aantal woningen
    (2) betaalde personele belasting per regio
    (3) relatieve verdeling van de bevolking over de regio's
    (4) totaal aantal gezinnen per regio
    (5) (1) : (4) x 100
    (6) bedrag per betalend gezin

In het jaar 1840 woonde 48,3% van de Belgische bevolking in de vier integraal Vlaamse provincies (kolom 3). Tien heel moeilijke jaren later was het aandeel nog 45,7%. Van de 350.446 artikels op de rol van de personele belasting (kolom 1), gelijk te stellen met betalende gezinnen, werden er in Vlaanderen 52% gevonden in 1840 en 50,4% in 1850.

Zij betaalden in de genoemde jaren 49,5 en 47,3% van de belasting, duidelijk meer dan het bevolkingsaandeel. Bijna de helft van alle gezinnen in Vlaanderen (kolom 4) droeg bij in de personele belastingen; 46,2% in 1840 om precies te zijn (kolom 5) en ze betaalden gemiddeld 22,9 goudfrank (kolom 6). De cijfers krijgen wat meer reliŽf als ze vergeleken worden met gegevens over de Waalse inbreng. In het zuiden werden slechts 34 tot 36% van de gezinnen belast en het verzamelde bedrag was ondermaats. Een herverdeling van de personele belasting op basis van het bevolkingsaandeel leert dat in 1840 Vlaanderen 105.000 F "te veel" betaalde en WalloniŽ 742.000 F "te weinig". Uitgedrukt in gezinsaandelen had Vlaanderen 245.000 F minder moeten betalen en WalloniŽ 828.000 F meer. In 1850 ging het dan respectievelijk om 235.000 en 962.000 F. Zulke oefening vertrekt van de veronderstelling dat de welvaart precies gelijk verdeeld zou zijn en dat was dus duidelijk niet het geval. Vlaanderen was rijker; middenstand en burgerij vormden er procentueel alvast een grotere groep dan in de Waalse provincies. Het meest opmerkelijke resultaat dat de lectuur van de cijfers oplevert, is dat de afschuwelijke crisis van de jaren veertig nauwelijks blijkt uit de fiscale gegevens. De ongevoeligheid van de fiscale goden is bekend. Zouden zij ook een onrechtvaardige toepassing van de wetgeving in de verschillende regio's dulden? Of moeten we vrezen dat de hongercrisis in Vlaanderen enkel de onderste helft van de sociale ladder heeft getroffen? De bewijsvoering vergt verfijning, maar eerst zal de verdere evolutie van de personele belasting met nog enige cijfers worden voorgesteld.

Enkele kerngetallen, samengebracht in tabel II, bevestigen de eerder gedane vaststellingen; de afstand tussen Vlaanderen en WalloniŽ op het gebied van de belastingopbrengsten is niet veranderd in de tweede helft van de 19de eeuw, ook niet in de jaren van de agrarische depressie van 1875 tot 1895 waardoor vooral Vlaanderen werd getroffen.

Tabel II. Aantal aanslagen, gemiddeld bedrag per aanslagartikel (zonder opcentiemes) en het percentage betalende gezinnen in 1875, 1890 en 1900

  1875 1890 1900
  aantal art. x 1000 gem.
in F
% bet. gezinnen aantal art. x 1000 gem.
in F
% bet. gezinnen aantal art. x 1000 gem.
in F
% bet. gezinnen
Vl. 212 25,3 44,9 251 26,4 46,7 263 27,9 42,9
Wal. 178 19,9 39,0 220 19,6 40,8 236 21,2 37,4
Brab. 82 41,8 38,9 108 39,3 42,1 124 38,9 39,3
Tot. 472 26,1 41,4 579 26,2 43,4 623 27,5 40,0

Er kan worden verondersteld dat wetswijzigingen, die een lichte invloed hadden op de ontvangsten vanaf 1890, in alle landsdelen gelijkmatig werden toegepast, zodat ze hier onbesproken mogen worden gelaten. Evenmin kan worden ingegaan op de nochtans interessante ontwikkeling van de ontvangsten in de afzonderlijke provincies.

De opbrengst van de personele belasting steeg tussen 1840 en 1910 van 8,4 tot 25,5 miljoen frank met een gemiddelde jaarlijkse groei van 1,6%. In de Waalse provincies kenden de ontvangsten eveneens een groei van 1,6%, in Brabant zelfs 2% en in Vlaanderen slechts 1,34%. Toch bleef Vlaanderen koploper, niet alleen in absolute cijfers met een opbrengst van 10,6 op 25,5 miljoen F, maar ook wat het percentage betalende gezinnen en de opbrengst per gezin betreft. In 1900 droeg 42,9% van alle Vlaamse gezinnen bij in de welvaartsbelasting tegen 37,4% in WalloniŽ en 39,3% in Brabant en het gemiddelde bedrag per betalend gezin was in de Vlaamse provincies nog steeds hoger dan in WalloniŽ, 27,9 F tegenover 21,2 F, een verschil van bijna 32%.

De opbrengst van de belasting verdrievoudigde in een periode van 70 jaar. Het aantal betalende gezinnen steeg tussen 1840 en 1900 (het aantal in 1910 is niet bekend) van 350.000 tot 622.000, een stijging van 78% tegenover een bevolkingstoename van 64%, wat de vermeerdering van de welvaart, althans bovenaan de sociale ladder, bevestigt. De evolutie van de belasting (22,3 opcentiemes inbegrepen) per betalend gezin is helemaal verrassend; een stijging met 49% tussen 1840 en 1900 in Vlaanderen, 27% in WalloniŽ en 35% in Brabant. Ondanks de opeenvolgende crisissen, die zoveel Vlaamse pachters en arbeiders tot migratie of pendelarbeid dwongen, kende een groter bevolkingsdeel dan in de andere regio's er groeiende welvaart. De concentratie van rijkdom was nog sterker in Brabant en dan vooral in Brussel en omgeving, maar dat verwondert ons niet, wel dat de inbreng van WalloniŽ doorheen de gehele periode zo gering bleef. Uit tabel III blijkt dat de provincie Brabant met een veel lager bevolkingscijfer vanaf 1880 zelfs meer personele belasting opbracht dan de vier Waalse provincies samen.

Tabel III. Procentuele verdeling per regio van het bevolkingscijfer, het totaal aantal gezinnen en het aandeel in de personele belasting, 1840-1910

  Bevolking Gezinnen Opbrengst pers. bel.
  Vl. Wal. Brab. Vl. Wal. Brab. Vl. Wal. Brab.
1840 48,3 36,5 15,2 46,7 37,5 15,8 49,5 27,7 22,8
1850 45,7 37,7 16,6 44,7 38,7 16,6 47,3 28,1 24,6
1860 44,1 39,0 16,9 42,8 39,7 17,5 44,7 28,8 26,5
1870 43,2 39,5 17,3 41,7 40,1 18,1 43,4 29,0 27,6
1880 42,8 39,4 17,8 40,8 40,3 18,9 43,4 28,2 28,4
1890 43,0 38,8 18,2 40,3 40,3 19,3 43,6 28,0 28,4
1900 43,2 37,9 18,9 39,3 40,5 20,2 42,7 27,8 29,5
1910 43,6 36,6 19,8 38,8 39,5 21,7 41,6 27,6 30,7

De sterke toename van het Brabantse aandeel in het geheel van de Belgische context drukt uiteraard de percentages van de andere regio's. Om die invloed weg te werken en omdat de personele belasting een typische gezinsbelasting was, werd supra vooral verwezen naar de opbrengst per gezin. Terloops kan hier worden vermeld dat de gezinsgrootte in het midden van de vorige eeuw in de drie regio's nog enigszins vergelijkbaar was, in 1910 waren de afwijkingen betekenisvol; 4,56 leden in Vlaanderen, 3,75 in WalloniŽ en 3,7 in Brabant. Vandaag zouden grotere gezinnen van enige belastingvermindering genieten, maar die vorm van fiscale anesthesie was toen niet bekend.

De besproken cijferreeksen tonen onomstotelijk aan dat Vlaanderen veel personele belastingen betaalde en WalloniŽ weinig. Is die belasting ook bruikbaar als meetinstrument om de welvaart te evalueren? In een volgende paragraaf wordt onderzocht wat er zoal belast werd.

b) De belastingbasis

Met een voorbeeldige ijver heeft de fiscale administratie in de 19de eeuw de volksvertegenwoordigers ingelicht over de opgehaalde bedragen per provincie ťn over de basis van de aanslagen. Die details kunnen iets meer licht werpen op eventuele welvaartsverschillen en ze verduidelijken in ieder geval de werkwijze van de fiscus.

We doen een greep uit de informatie betreffende het jaar 1860. De personele belasting bracht toen 9,34 miljoen F op, zonder de opcentiemes te rekenen. De Vlaamse provincies droegen 44,7% bij, de Waalse 28,8%. De zes belaste indicatoren worden afzonderlijk toegelicht.

  1. De huurwaarde van de belaste huizen en woningen bedroeg in 1860 volgens de dan gebruikelijke schattingsmethode 60,7 miljoen F. Het aantal artikels of huizen werd jammer genoeg niet meegedeeld. In de Vlaamse provincies werd de belasting van 4% geheven op een huurwaarde van 27,2 miljoen of 44,8% van het totaal. WalloniŽ vertegenwoordigde slechts 25,7% en Brabant reeds 29,5% van de belaste huurwaarde. De fiscale opbrengst beliep 2,4 miljoen F.
  2. 2. De waarde van het meubilair in de belaste woningen werd geschat op 150 miljoen F (1% belasting), waarvan 62,3 miljoen in Vlaanderen (41,6%), 39,5 miljoen (26,3%) in WalloniŽ en 47,9 miljoen (32%) in Brabant.
  3. IJverig en gewetensvol telde de fiscus deuren en vensters en in het jaar 1860 werden er 2.889.564 belastbare eenheden gevonden en getaxeerd van 0,848 F tot 2,332 F, afhankelijk van het bevolkingscijfer der gemeente waar het corpus delicti in gebruik was. Men zal een fiscale administratie steeds beoordelen op de manier waarop ze kwartjes zoekt en grote bedragen vergeet op te merken. Een buitendeur of venster was fiscaal gemiddeld 1,18 F waard in Vlaanderen, 0,97 F in WalloniŽ en 1,33 F in Brabant. De geÔnde belasting was niet gering, 3,3 miljoen F, waarvan niet minder dan 48,3% door Vlaanderen werd ingebracht.
  4. 580.000 haarden werden belast en brachten bijna ťťn miljoen F in de staatskas. Vlaanderen betaalde daarvan 40,7% en WalloniŽ 36,2%. De eigen haard was gemiddeld 1,57 F waard, een Waalse 1,72 F en een Brabantse zelfs 2,07 F. De haardbelasting werd in 1879 afgeschaft.
  5. In 1860 werden er 28.285 meiden en knechten geteld waarvan het fiscale gewicht varieerde van 6,36 F tot 14,84 F. De opbrengst bedroeg slechts 663.878 F, waarvan 41,3% in Vlaanderen werd opgehaald en bijna 30% in WalloniŽ.
  6. De belasting op de luxepaarden zorgde meer voor heibel dan voor inkomsten. De Vlaamse katholieken werden ervan verdacht trekpaarden als rijdieren aan te geven en dank zij die belasting zouden vrome boeren tot cijnskiezer promoveren. Van liberale zijde werd woedend gereageerd omwille van "cette bÍte clťricale et lťgendaire" dat de loop van de geschiedenis dreigde te vervalsen. Dat was een knappe reactie want luid roepen over futiliteiten helpt de aandacht af te leiden van ernstige toestanden. In Vlaanderen draafden slechts 40,4% van de paarden en ze brachten een luttele 37,6% van de belasting op. WalloniŽ, het dient voor een keer te worden toegegeven, bracht 37,7% op, 616 F meer dan Vlaanderen, op een totaal van 425.600 F.
De vier eerstgenoemde belastingbasissen, van de huurwaarde der huizen tot de haarden, troffen de kwaliteit van de huisvesting en dat is zonder twijfel een goed criterium om de welvaart van de gezinnen te beoordelen. In 1860 werd 88% van de personele belasting geheven op die indiciŽn en in Vlaanderen werd 45,1% van de belastingen daarop verzameld, in WalloniŽ slechts 28,3%. In verhouding tot de bevolkingsaandelen (zie tabel III) realiseerden de Vlaamse provincies een "overschot" van 83.500 F, maar de Waalse provincies brachten 875.000 F te weinig op. Nemen we het aantal gezinnen als maatstaf dan blijkt Vlaanderen 190.000 F te veel te hebben betaald en WalloniŽ 933.000 F te weinig.

Het kan niet ontkend worden dat er in 1860 opvallende welvaartsverschillen bestonden tussen de regio's en dat in WalloniŽ beduidend minder gezinnen dan in Vlaanderen een bepaalde welvaart bereikten.

Hoe de opbrengst van de personele belasting evolueerde in de tweede helft van de 19de eeuw werd reeds even besproken. Aan de hand van twee steekproeven volgen we nu de groei van de belastbare materie, vooral deze in verband met de huisvesting, m.n. de huurwaarde van de huizen (belast aan 5%), de deuren en vensters (van 1 tot 2,28 F) en de waarde van het meubilair (1%).

Tabel IV. De belastingbasis in 1890 en 1910

  1890 1910
  (1) % (2) % (3) % (1) % (2) % (3) %
Vl. 46 42,6 2749 47,6 75 39,1 63 40,1 3816 45,6 91 38,2
Wal. 26 24,1 1751 29,9 58 30,2 38 24,2 2505 29,9 71 29,8
Brab. 36 33,3 1320 22,5 59 30,7 56 35,7 2045 24,4 76 31,9
Tot. 108 100 5865 100 192 100 157 100 8366 100 238 100

    (1) huurwaarde van de belaste huizen (in miljoenen F)
    (2) deuren en vensters (opbrengst in F x 1000)
    (3) waarde van het meubilair in 1890 en 1910 (in miljoenen F)

In 1890 en 1910 zorgden de in tabel IV opgesomde materies voor 87,5% van de opbrengst van de personele belasting. Er hebben zich blijkbaar geen fundamentele veranderingen voorgedaan sedert 1860 en evenmin tussen 1890 en 1910, al was de gemiddelde aangroei van de belastbare basis iets lager in Vlaanderen dan in het zuiden van het land en in Brabant. In 1890 bedroeg de belaste huurwaarde van een huis in Vlaanderen gemiddeld 183,2 F, in WalloniŽ 118,2 F. Was een huis in WalloniŽ gemiddeld slechts 64,5% waard van een huis in de noordelijke provincies? De meubels in het Vlaamse huis werden 299 F waard geacht, die in een Waalse woning 264 F, 12% minder. Na 15 jaar ernstige agrarische crisis betaalde Vlaanderen in 1890 nog 43,5% van de personele belasting, terwijl het 40,3% van de gezinnen herbergde. WalloniŽ, eveneens 40,3% van de gezinnen, droeg slechts 28% van de belastingen. In 1910 was het belastingaandeel van Vlaanderen gedaald tot 41,7%, maar ook de bijdrage van het zuiden was licht verminderd tot 27,6%, terwijl die regio toch 39,5% van de gezinnen telde, iets meer dan Vlaanderen. Het verhaal is echt eentonig geworden. Zijn de gemeten welvaartsverschillen reŽel of is de fiscale wetgeving gebrekkig? Het is uiterst moeilijk om op die vragen een afdoend antwoord te geven omdat niet-fiscale gegevens ter vergelijking ontbreken. Wantrouwen alleen volstaat niet als bewijsvoering. Een deel van het antwoord kan nu al wel worden aangereikt. Er werd reeds vermeld dat de hoogte van de belasting op deuren en vensters in verhouding stond met het bevolkingscijfer van de gemeente. Deze eigenaardige manier van belasten viel nadelig uit voor de Vlaamse provincies waar de grotere bevolkingsdichtheid tot zwaardere taxaties leidde. Het verschil tussen de regio's was niet gering; in 1910 werd in Vlaanderen 50% van de belastbare objecten aan het minimumtarief gerekend, van toepassing in de minst bevolkte gemeenten, in WalloniŽ 76%. Indien alle belastbare deuren en vensters, in totaal 7 miljoen eenheden, aan het gemiddelde tarief onderworpen waren geweest, m.n. 1,2 F, dan had Vlaanderen 591.509 F minder moeten opbrengen en WalloniŽ 457.287 F meer. Dezelfde bewerking zou in 1860 Vlaanderen een voordeel hebben opgeleverd van 58.000 F en WalloniŽ had dan 165.000 F meer moeten opbrengen. Enig eenvoudig rekenwerk leert dat gedurende de vijftig jaar tussen 1860 en 1910 Vlaanderen 16,2 miljoen goudfrank meer betaalde en dat WalloniŽ 15,6 miljoen bespaarde. Deze bedragen zijn te verhogen met 22,5 opcentiemes.

Er zal infra worden aangetoond dat gelijkaardige, ogenschijnlijk kleine procedurekwesties enorme fiscale gevolgen hebben gehad. Hoe dan ook, gedurende de gehele beschouwde periode bleef Vlaanderen een verrassend groot deel van de welvaartsbelasting opbrengen en, verwijzend naar de kolommen 1 en 3 van tabel IV, was dat terecht. WalloniŽ bleek volgens alle indicatoren uitermate zwak te presteren en bracht in 1910, als het aantal gezinnen als maatstaf wordt genomen, 3 miljoen te weinig op, een tekort van precies 30%. Vlaanderen betaalde 7,4% meer dan nodig als hetzelfde criterium wordt gehanteerd.

Er woonden in WalloniŽ opvallend weinig welstellenden, zou de lezer kunnen besluiten, maar dat blijkt dan weer niet uit de regionale verdeling van de cijnskiezers. In 1870 woonden 42,9% van de ingeschreven kiezers voor het parlement in de Vlaamse provincies, 37,1% in WalloniŽ en 20% in Brabant en die verdeling komt vrij goed overeen met de bevolkingsaandelen (zie tabel III). In 1880-1881, toen een uniforme kiescijns voor de gemeenteraadsverkiezingen van 10 F werd aanvaard, telde Vlaanderen 44% van de kiezers, WalloniŽ 39,5% en Brabant 16,5%. De spreiding was dus uitstekend.

c) De benedenhelft van de sociale ladder

De personele belasting trof een ruime sociale bovenlaag en er werd aangetoond dat die groep in Vlaanderen omvangrijker was en meer betaalde dan in WalloniŽ. Over de financiŽle toestand van de gezinnen die niet bijdroegen in de welvaartsbelasting wordt uiteraard niets meegedeeld, maar onrechtstreeks komen we er toch wat over te weten. De werkwijze is eenvoudig en het toeval helpt ons. Een artikel van de personele belasting komt vrij goed overeen met een gezin en in ieder geval met een huis of een woning. Een geringe foutenmarge moet aanvaard worden. Van alle huizen in BelgiŽ die in 1891 onderworpen waren aan de grondbelasting is het kadastraal inkomen bekend, dank zij een omvangrijk document opgesteld door het Ministerie van FinanciŽn. Het is een indrukwekkende lijst, opgemaakt per gemeente en met het aantal huizen per inkomensklasse. Niets geeft beter de sociale hiŽrarchie van de gezinnen weer dan de hiŽrarchie van de huizenvoorraad. Vermits het aantal huizen bekend is dat onderworpen was aan de personele belasting, weten we meteen welk aantal in iedere provincie aan de belasting ontsnapte. In de provincie Antwerpen was slechts 40,3% van de huizen onbelast, in de provincie Limburg echter 62,9%. In de vier Vlaamse provincies was 51,5% onbelast, in WalloniŽ 55,7%. Deze huizen vertegenwoordigen in Vlaanderen een kadastraal inkomen van 7,4 miljoen F of 13,7% van het totaal. De Waalse huizen waren goed voor 8,1 miljoen F (17%) en de Brabantse slechts 1,8 miljoen of 4,2%. BelgiŽ telde 591.000 huizen die niet door de personele belastingen werden getroffen en zij vertegenwoordigden 12% van het totale kadastrale inkomen; de bovenste helft van de sociale ladder was dus 8,5 keer rijker dan de benedenhelft. Verdere ontleding van deze cijfers is wat gewaagd omdat de series van ongelijke lengte zijn. We nemen daarom in iedere regio precies 50% van de huizen en onderzoeken de specifieke kenmerken van die benedenlagen. In de Vlaamse provincies vertegenwoordigde de benedenlaag 12,8% van het kadastraal inkomen, met een gemiddelde waarde per huis van 28 F. In de Waalse provincies bereikte de onderste helft 14,1% en 29 F per huis. De Gini-coŽfficiŽnt bedroeg 0,21 in Vlaanderen en 0,25 in WalloniŽ.

De verschillen zijn niet echt opvallend, ze werden trouwens afgezwakt door de gekozen werkwijze, maar ze vergen wel enige toelichting. De onderste helft van de sociale piramide werd in Vlaanderen gekenmerkt door een iets lagere sociale ongelijkheid en een gemiddeld wat lager (3,5%) welvaartspeil dan in WalloniŽ. De bovenste helft gaf net het omgekeerde beeld te zien, maar dan meer uitgesproken. Wie in Vlaanderen niet tot de toch wel opvallend omvangrijke en gemiddelde rijke sociale bovenlaag behoorde, zat meteen een heel stuk lager op de sociale ladder en was armer dan de gemiddelde Waalse lotgenoot. In WalloniŽ was de sociale ongelijkheid beneden de middellijn iets groter, wellicht omdat er meer goedbetaalde, beter gesitueerde arbeiders en bedienden waren die naar de bovenlaag aan het toegroeien waren. Enige bevestiging van deze interpretatie vinden we in de resultaten van een wet van 1889 die arbeiders vrijstelde van personele belasting als hun woning een kadastraal inkomen had van minder dan 42,4 F. In Vlaanderen werden er in 1889 25.000 arbeiderswoningen vrijgesteld, in WalloniŽ bijna 44.000. Vooral in WalloniŽ is nadien het aantal vrijstellingen spectaculair toegenomen.

d) De erfenisrechten

De personele belasting bleek dus in de Vlaamse provincies veel meer op te brengen dan in het zuiden van het land en de gemeten verschillen waren zelfs verrassend groot. In 1840 en 1850 droeg een gemiddeld Waals gezin (alle gezinnen in aanmerking nemend) 31% minder bij dan een Vlaams, in 1900 en 1910 34,5% en 24,4% minder. Het onderzoek van de belastingbasis verduidelijkte het beeld en de informatie betreffende de kwaliteit van de huisvesting bevestigde dat de belastbare middelen in Vlaanderen omvangrijker waren. De elementen die de levensstijl illustreren, m.n. het huispersoneel en de luxepaarden, toonden een minder uitgesproken overwicht van Vlaanderen, maar precies die "indiciŽn" wogen weinig door in het geheel van de besproken welvaartsbelasting. Een systematische overschatting van de belastbare rijkdom werd onwaarschijnlijk genoemd. Wel rees er twijfel over de gegrondheid van een voor Vlaanderen nadelige, volgens het gemeentelijk bevolkingscijfer gedifferentieerde belasting op deuren en vensters, omdat de invloed van de bevolkingsdruk en van de huurprijzen reeds in de belaste huurwaarde van de huizen verrekend was.

Het blijft natuurlijk een open vraag of de echte welvaart wel correct gemeten werd en of de gebruikte criteria wel goed geijkte welvaartsindicatoren kunnen genoemd worden.

De erfenisrechten bieden de mogelijkheid de gegrondheid van de gemeten welvaartsverschillen te verifiŽren. Het lijkt immers logisch te veronderstellen dat als de personele belasting op reŽle gronden berustte, de vererving van de materiŽle middelen tot vergelijkbare conclusies moet leiden.

Aan het complexe erfrecht en de fiscale wetgeving wordt hier geen aandacht besteed, wel aan de betaalde rechten. Omdat de bedragen van jaar tot jaar sterk schommelden werd gewerkt met vijfjaarlijkse gemiddelden. Zo werd het gemiddelde bedrag van de rechten, betaald in de jaren 1838 tot 1842, toegewezen aan het jaar 1840. Het bekomen bedrag werd dan in verband gebracht met het bevolkingscijfer van dat jaar. De resultaten, samengevat in tabel V, bevestigen nogmaals wat eerder werd vastgesteld: doorheen alle crisissen en gedurende de gehele periode betaalde Vlaanderen veel meer dan WalloniŽ. In kolom 5 worden Vlaanderen en WalloniŽ tegenover elkaar geplaatst en het blijkt dat in de jaren 1838-1911 de gemiddelde Vlaming 25,4% meer erfenisrechten betaalde dan een Waals inwoner. Uitgedrukt per gezin, wat in dit geval wellicht minder logisch is, liep het verschil zelfs op tot 28,1%. Omgekeerd, als Vlaanderen 100 F opbracht, betaalde WalloniŽ 79,77 F.

Tabel V. Erfenisrechten 1840-1910. In F per 1000 inwoners

  (1)
Vlaanderen
(2)
WalloniŽ
(3)
Brabant
(4)
BelgiŽ
(5)
(1)/(2) x 100
1840 973 829 1.373 982 117,4
1850 1.466 1.129 1.778 1.391 129,8
1860 2.543 1.845 3.024 2.352 137,8
1870 3.094 2.576 4.378 3.111 120,1
1880 3.610 2.802 5.983 3.715 128,8
1890 3.514 2.652 5.426 3.528 132,5
1900 2.941 2.269 6.326 3.326 129,6
1910 3.037 2.791 5.989 3.531 108,8
Totaal 21.178 16.893 34.277 21.936 125,4

Er was een pak geld gemoeid met de erfenisrechten; 4 miljoen F in 1840 (gemiddelde van 5 jaar), 11 miljoen in 1860, 20,5 in 1880, 22,3 in 1900. In 1910 werd er 26,2 miljoen F binnengehaald, meer dan wat de personele belasting opbracht (25,5 miljoen) of de bedrijfsbelasting (bijna 18 miljoen) en bijna evenveel als de belasting op grond en gebouwen (29 miljoen). De meeropbrengsten in Vlaanderen beliepen een aardig bedrag. Stel dat een Vlaming evenveel erfenisrechten had betaald als de gemiddelde Waal, dan brengt de optelling ons op 102,4 miljoen goudfrank minder voor de periode 1838-1913. De berekening werd uitgevoerd op de detailcijfers van 34 steekproefjaren op de 76. Het bedrag is duizelingwekkend, maar het werd wel degelijk betaald.

De cijferreeksen van tabel V wijzen er tevens op dat de vermogensvorming, gemeten aan de betaalde rechten, in Vlaanderen nauwelijks trager verliep dan in WalloniŽ. Het inkomen uit vermogen heeft wellicht dezelfde evolutie gekend en dat is dan een interessante vaststelling, die verder onderzoek verdient. Verder is het waarschijnlijk dat een bestaande vermogensstructuur, zelfs in een zich wijzigende economische omgeving, een taai leven leidt en slechts langzaam afbrokkelt. Dat zou wel eens het geval kunnen zijn in Vlaanderen in de 19de eeuw; oude vermogensvormen, vooral gebaseerd op onroerend goed, bleven bestaan en daarnaast werden vermogens van een andere herkomst opgebouwd en gedeeltelijk in immobiliŽn omgezet. In Brabant (Brussel) is de vermogensgroei opvallend sterk geweest en ongetwijfeld belangrijker dan de cijfers tonen, vermits aandelen en andere hoogst roerende bezittingen in de erfenisaangiften weinig aan bod kwamen. Deze laatste opmerking brengt ons bij een toch wel heel belangrijk punt. Het zou inderdaad een vergissing zijn uit de geciteerde cijfers meteen te besluiten dat de gemiddelde Vlaming zoveel rijker zou zijn geweest dan de Waalse landgenoot. Erfenisrechten wogen zwaar op onroerend goed en uiterst licht op gemakkelijk te verbergen roerend vermogen. En vermits Vlamingen wat hadden met gronden en huizen werd hun spaarzaamheid afgestraft in de grondbelasting, de personele belastingen en de erfenisrechten. Een sluitende bewijsvorming kan voor deze bewering echter nog niet worden voorgelegd. Het is trouwens niet zeker dat het roerend kapitaal, o.m. aandelen in Vlaanderen, minder ontwikkeld was dan in het Zuiden van het land. Dat onroerend vermogen er belangrijker was en vooral hoger gewaardeerd was, staat wel vast.

De vererfde kapitalen waarop de erfenisrechten werden geheven zijn bekend, de samenstelling ervan echter niet. De uiterst gedetailleerde cijferreeksen, die vanaf 1860 gepubliceerd werden in "Le rŤglement dťfinitif du budget...", zijn voorlopig nog moeilijk te hanteren. Dubbeltellingen zijn onvermijdelijk. Een kapitaal van een miljoen bij voorbeeld zal vermeld worden bij de overdracht van naakte eigendom en nogmaals in de afdeling vruchtgebruik. Louter ter illustratie worden de in 1860 en 1900 vererfde kapitalen vermeld, omdat ze precies een verdubbeling aantonen, van 251 naar 500 miljoen F. Uitgedrukt per inwoner bekomen we in 1860 een bedrag van 51,1 F in Vlaanderen, 48,6 F in WalloniŽ en 67,0 F in Brabant. In 1900 waren de cijfers respectievelijk 71,2, 63,8 en 105,6 F. De rechten werden dus geheven op kapitalen die iets groter waren (5 en 11,6%) in Vlaanderen dan in WalloniŽ. Merkwaardig is dat de belasting, betaald op de vererfde kapitalen, veel grotere verschillen vertoonde.

In Vlaanderen werd in 1860 2,47 F per inwoner betaald, bijna 60% meer dan de 1,55 F in WalloniŽ en bijna evenveel als in Brabant (2,56 F). In 1900 brachten de 500,7 miljoen F vererfde kapitalen 23,8 miljoen rechten op, 3,58 F per inwoner in Vlaanderen, 2,58 F in WalloniŽ en 5,47 F in Brabant.

De overgedragen kapitalen droegen in 1860 in Vlaanderen een belasting van 4,81%, in WalloniŽ slechts 3,18% en in Brabant werd 3,8% geheven. Veertig jaar later was de belastingdruk 5,02% in Vlaanderen, 4,05% in WalloniŽ en 5,18% in Brabant. Die verschillen kunnen voorlopig niet verklaard worden. Doorgedreven onderzoek van de detailcijfers betreffende het jaar 1900 toont aan dat er toen in Vlaanderen veel goederen in volle eigendom werden vererfd tussen broers en zusters, neven en nichten en vooral tussen niet-bloedverwanten, en precies die laatstgenoemde groep was onderworpen aan het maximumtarief van 13,8%. Het geheel van de erfenissen in volle eigendom, 193,4 miljoen F kapitaal en 19 miljoen rechten in 1900, tonen een belangrijk overwicht van Vlaanderen met 8,4 miljoen F lasten (44,5%), maar de belastingdruk was met 10,06% niet echt hoger dan in WalloniŽ (9,52%) of in Brabant (9,6%).

Verder tijdrovend rekenwerk is nodig om uit te maken of de erfenissen in Vlaanderen al of niet aan een gemiddeld zwaarder tarief dan in WalloniŽ onderworpen waren. Het supra gegeven voorbeeld kan toevallig in die richting wijzen.

Het onderzoek van de erfenisrechten bevestigt ten overvloede dat de belastbare materiŽle middelen in Vlaanderen deze in WalloniŽ ver overtroffen en dat kwam tot uiting, zowel bij de personele belasting als bij de vermogensbelasting. Deze vaststellingen komen niet overeen met wat geweten is over de economische prestaties van Vlaanderen, zodat het raadsel onopgelost blijft. Wat we met zekerheid weten is dat Vlaanderen heel veel belastingen betaalde en het vermoeden werd geuit dat vooral onroerend goed, dat in Vlaanderen relatief overgewaardeerd was, in de fiscale kijker liep. De vraag is dan waarom dat zo was. Het antwoord is vrij eenvoudig; het fiscale systeem werd ontworpen in het begin van de 19de eeuw en toen speelde onroerend goed een nog overheersende economische en sociale rol, het was de voornaamste vorm van rijkdom en bezit. Gaandeweg is die betekenis verloren gegaan, althans relatief, en zijn andere bezitsvormen belangrijker geworden. De wetgever is echter tot op het einde van de 19de eeuw ziende blind gebleven voor de fundamentele wijzigingen van de economische gegevens: de reeds lang verstarde fiscale wetgeving werd pas na de eerste wereldoorlog herschreven. De mate waarin Vlaanderen door een onaangepaste wetgeving werd benadeeld, zal duidelijk worden als ook voor de 19de eeuw regionale rekeningen zijn opgesteld. Dat een versleten wetgeving tot onrechtvaardige belastingheffing leidde, wordt in een volgende paragraaf aangetoond.

e) De patentbelasting

De bedrijfsbelasting of patentrecht werd in het begin van de 19de eeuw ontworpen en bleef vrijwel ongewijzigd tot aan de eerste wereldoorlog. Bij het ontstaan van de wetgeving waren grote bedrijven een zeldzaamheid en de belasting trof dan ook overwegend de handel en de ambachtelijke bedrijfjes.

Het was de bedoeling de winst te belasten, maar dat kon enkel door middel van indiciŽn, want een boekhouding was meestal onbestaande. De wetgeving was uitermate ingewikkeld en werd niet aangepast aan de technologische ontwikkeling, de schaalvergroting in sommige bedrijfstakken of de winstgevendheid van de bedrijven. Grote bedrijven betaalden het al te lage maximumtarief van 401 tot 423 F, terwijl kleine zaakjes in verhouding tot de rendabiliteit veel meer bijdroegen. Voor een hoogoven bij voorbeeld werd 46,64 tot 84,80 F betaald, een bakker moest al vlug evenveel opbrengen. Naamloze Vennootschappen betaalden maximum 2% patentrecht op de uitgekeerde winsten. Het was een onrechtvaardig systeem, dat als enig voordeel had dat de globale belastingdruk op de zelfstandigen en bedrijven gering was, nog geen 10 miljoen goudfrank in 1900. De grondbelasting, overwegend op gebouwen, bracht in dat jaar 26 miljoen op, de personele belasting 21 miljoen.

Na al deze kritiek wekt het toch nog verbazing te moeten vaststellen dat het agrarische Vlaanderen meer bedrijfsbelasting betaalde dan het industriŽle WalloniŽ. Ter verduidelijking weze onderstreept dat landbouwers niet onderworpen waren aan het patentrecht.

Tabel VI. De patentbelasting 1840-1910. In F x 1000.

  (1)
Vlaanderen
(2)
WalloniŽ
(3)
Brabant
(4)
BelgiŽ
1840 1.266 1.121 475 2.862
1850 1.260 1.212 640 3.112
1860 1.452 1.419 1.001 3.872
1870 1.617 1.512 1.246 4.375
1880 2.173 2.137 1.771 6.081
1890 2.472 2.563 1.858 6.893
1900 3.149 3.327 3.422 9.898
1910 6.239 5.243 6.499 17.981
Totaal 19.628
35,6 %
18.534
33,6 %
16.912
30,7 %
55.074
100 %

Per hoofd van de bevolking was de bijdrage van de zelfstandigen en de bedrijven in Vlaanderen duidelijk geringer dan elders in het land. Verder onderzoek van detailcijfers brengt echter wel een aantal nuances aan het licht. Gezien de omvang van de bewerkingen kan slechts ťťn jaar, 1910, aan bod komen.

Een eerste reeks patentplichtigen werd belast volgens tarief A, verdeeld in 17 klassen, en uniform in alle gemeenten van het land. In deze categorie waren winkeliers opgenomen, een aantal ambachtelijke beroepen, maar ook grote fabrieken. In totaal werden 246.000 patentplichtigen in deze reeks belast, waarvan 40% in Vlaanderen en die brachten 37% van het totaal van 2 miljoen op. In Vlaanderen werd gemiddeld 7,5 F betaald, in WalloniŽ 8 F en in Brabant 9,7 F. Het valt op dat WalloniŽ met 40,4% van het aantal en 40% van de opbrengst behoorlijk aanwezig was.

Een tweede groep zelfstandigen, meest handelaars, vrije beroepen en ambachtelijke bedrijven, werd belast volgens tarief B, verdeeld in 14 belastingklassen waarvan de hoogte ook nog eens afhankelijk was van het bevolkingscijfer van de gemeente waar de bedrijvigheid werd uitgeoefend. Een identiek bedrijf betaalde in een gemeente met minder dan 10.000 inwoners slechts ongeveer 26% van wat het in een stad met 60.000 inwoners of meer moest afdragen. Om het moeilijk te maken waren de gemeenten in zes grootte-categorieŽn verdeeld met dus telkens andere belastingschalen. De uiterst gedetailleerde cijfers werden verwerkt en vereenvoudigd weergegeven in tabel VII.

Tabel VII. Patent 1910. Tarief B

  Vlaanderen WalloniŽ Brabant
inwoners aantal bedrag aantal bedrag aantal bedrag
60.000+ 25.864 619.349 7.842 176.691 15.604 374.805
30-60 15.444 236.348 7.730 119.107 21.346 325.031
20-30 6.642 193.043 6.445 83.024 1.765 17.763
15-20 7.628 55.182 5.991 44.445 2.566 18.302
10-15 14.301 81.167 14.710 98.874 4.204 25.727
-10.000 111.530 452.897 115.622 516.285 37.928 153.335
Totaal 181.409 1.637.986 158.340 1.038.426 83.413 914.963

Iets meer dan 423.000 patentplichtigen werden volgens tarief B belast en de aantallen per regio komen heel goed overeen met de bevolkingsaandelen. Het valt wel op dat veel Vlamingen en heel weinig Walen in de gemeenten of steden met de hoogste tarieven voorkwamen en dat het omgekeerde zich voordeed in de gemeenten waar het minimumtarief gold. Gemiddeld betaalde een Vlaamse zelfstandige bijna 38% meer dan de Waalse, 9,03 F tegenover 6,55 F. In Brabant werd bijna 11 F opgebracht. Het nationale gemiddelde was 8,485 F. Het systeem van de gedifferentieerde tarieven viel in ieder geval nadelig uit voor Vlaanderen. Indien het systeem er niet was geweest en het nationale gemiddelde overal zou zijn toegepast, zou Vlaanderen een kleine 10.000 F minder hebben moeten opbrengen (-6%), WalloniŽ 306.000 F meer (+29,5%) en Brabant 207.000 minder (-22,6%). Er zijn argumenten voor en tegen de gedifferentieerde belastingschalen aan te voeren, maar als grote particuliere bedrijven zelden meer dan vijfhonderd frank aan de fiscus overmaakten, moeten hier de ernstige parlementaire debatten niet herhaald worden over de belastbaarheid van het inkomen van straatmuzikanten, scharenslijpers of schoenlappers. We kunnen beter eens kijken naar de naamloze vennootschappen, niet dat het grote geld ons lokt, maar omdat de fiscale administratie een rijke documentatie publiceerde.

N.V.'s en daarmee gelijkgestelde vennootschappen betaalden jaarlijks 1, meestal 2% (plus 20 opcentiemes) patentbelasting op de uitgekeerde winsten. Ze zullen de fiscus wel niet achterna zijn gelopen om toch maar correcte cijfers te kunnen meedelen maar vertrouwend op een veralgemeende discretie, nemen we aan dat althans de fraude ook regionaal netjes verdeeld was. De winstcijfers zijn bekend per provincie, zodat ook de fiscale opbrengst per regio kan berekend worden, en die bedroeg in 1910 in totaal 9,5 miljoen F of 53% van de patentbelasting. N.V.'s bestonden in ons land al vanaf 1819 en ze hebben een belangrijke economische rol gespeeld. Toch is het pas vanaf 1893 dat het aantal spectaculair is gaan aangroeien, net als de winsten en van dan af zijn ook de fiscale goden de wenkbrauwen gaan fronsen, wat meteen in hogere ontvangsten tot uiting kwam. In 1910 hadden 2.566 vennootschappen een kohierartikel bij de fiscus en werden 452 miljoen frank winsten gedeclareerd, waarvan 128,3 of 28,4% in de Vlaamse provincies, 111,7 in WalloniŽ (24,7%) en 211,9 in Brabant. Terloops kan worden opgemerkt dat het aandeel van Vlaanderen niet gering was; het was echter wel van recente datum; in 1890 bedroeg het nog slechts 16,7%, in 1900 18,6%. Het aantal grootschalige bedrijven is er pas erg laat gaan toenemen.

Nu het bedrag bekend is dat werd opgebracht door de N.V.'s, kan het worden afgetrokken van het totaal en blijft er het patentrecht over betaald door de particuliere bedrijven en zelfstandigen, de middenstand, zijnde 3,35 miljoen in Vlaanderen (39,7%), 2,73 miljoen in WalloniŽ (32,4%) en 2,36 miljoen (27,9%) in Brabant. Uitgedrukt per 1.000 inwoners kwamen die bedragen overeen met 1.035 F in Vlaanderen, 1.008 F in WalloniŽ en 1.604 in Brabant.

Het aantal artikels kan worden bepaald op 668.954 (4.334 artikels konden niet per provincie gespreid worden) en dan blijkt een aanslag in Vlaanderen 11,96 F te hebben opgebracht, in WalloniŽ 10,62 F of 12,6% minder. In Brabant werd door de gemiddelde zelfstandige 18 F opgebracht. Het verschil tussen een Vlaams en een Waals patentplichtige was geheel te wijten aan de invloed van de uiteenlopende rechten volgens de gemeentelijke bevolkingscijfers. Na verrekening van de in tabel VII gesignaleerde cijfers en het bijhorende commentaar, was de belastingdruk per artikel in Vlaanderen 11,6 F en 11,8 F in WalloniŽ. De middenstand was in Noord en Zuid verhoudingsgewijs even sterk vertegenwoordigd, maar voor een deel ervan was de belastingdruk dus wel verschillend. Daarmee is niet aangetoond dat de Vlaamse middenstander overbelast werd, want de echte inkomens - die we niet kennen - konden ook uiteenlopen. Er moet wel een andere vraag gesteld worden: als de zelfstandigen en particuliere ondernemers in Noord en Zuid vergelijkbaar waren wat relatieve numerieke aanwezigheid en patentrecht betreft, wat verklaart dan de toch wel opvallende verschillen in de opbrengst van de welvaartsbelasting en de vermogensbelasting?

Afgaande op de betaalde patentbelasting zou zelfs de idee kunnen ontstaan, dat het door Vlaanderen gevolgde economische ontwikkelingsmodel heel succesvol is geweest. Het patentrecht, dat werd toch wel duidelijk aangetoond, hield echter op generlei wijze rekening met de reŽle winstmogelijkheden en legde al te weinig de toch al lage belastingdruk op de grote ondernemingen. Het was gewoon een schandalig slechte belasting.

Besluit

Dit verhaal begon met een groet aan Julius Vuylsteke en Lodewijk de Raet. Hun werk voortzetten betekent hun hulde brengen.

De speurtocht in de fiscale doolhof bracht een aantal verrassende feiten aan het licht, maar ook na herhaalde bevestiging van de gegevens is de interpretatie ervan nog moeilijk en ontbreekt het alles omvattend inzicht, dat nodig is om de vaststellingen om te zetten in eventueel belastend bewijsmateriaal.

De personele belasting, geheven op uiterlijke tekenen van een zekere welstand, gaf een duidelijk overwicht van Vlaanderen te zien en het onderzoek van de belastingbasis gaf daarvan de bevestiging. Een ruime bovenlaag, bijna de helft van de gezinnen, werd door de welvaartsbelasting getroffen. Dat was meer dan in WalloniŽ, waar gemiddeld per gezin ook minder werd opgebracht.

Er zijn aanwijzingen dat de benedenhelft van de sociale piramide er in Vlaanderen dan weer slechter aan toe was dan in het Zuiden van het land. "Arm Vlaanderen" is geen mythe, het bevond zich in een hier onbesproken gebleven gebied. De bespreking van de erfenisrechten en van de vererfde kapitalen laat er geen twijfel over bestaan dat de belastbare materie in Vlaanderen, uitgedrukt per inwoner of per gezin, flink wat omvangrijker was dan in de Waalse provincies.

Hoe kunnen de toch wel opvallende verschillen in fiscale draagkracht tussen Noord en Zuid verklaard worden? Er werden uitsluitend fiscale bronnen bij de confrontatie betrokken en een vaste maatstaf om de getuigenissen te beoordelen, m.n. regionale rekeningen, ontbreekt nog, zodat meerdere hypothesen mogelijk blijven.

Als de belastingopbrengsten op reŽle gronden berustten en dus aantonen dat Vlaanderen relatief welstellend was, dan moet eveneens geconcludeerd worden dat WalloniŽ zoveel armer was en dat is moeilijk te geloven. Het gaat immers niet over kleinigheden, zoals enkele samenvattende cijfers aantonen. We kennen de inbreng van iedere regio in de totale opbrengst van drie directe belastingen (grond- en personele belasting en het patentrecht) in de periode 1831-1912, m.n. 3,4 miljard frank in totaal. De bedragen kunnen in verband gebracht worden met de demografische gewichten van de regio's en dan blijkt een Vlaming gemiddeld 5,3% meer te hebben betaald dan een inwoner van WalloniŽ. Voor de gehele periode is er dan sprake van 73 miljoen frank, die Vlamingen extra betaald hebben. Berekend met het gezin als maatstaf bracht Vlaanderen 199 miljoen F meer op.

Door een gemiddeld Vlaams gezin werd inderdaad jaar in jaar uit 16,7% meer directe belastingen betaald dan door een Waals gezin, omdat, gezien door de fiscale bril, de Vlaamse gezinnen ook zoveel rijker waren. Indien een Vlaams gezin slechts evenveel had betaald als een Waals, dan had Vlaanderen jaarlijks 2,5 miljoen goudfrank minder moeten afstaan. Dat bedrag krijgt echt betekenis als het vergeleken wordt met de jaarrechten op koolmijnen en groeven, een directe belasting die vrijwel exclusief in de zuidelijke provincies werd geheven. Het zwarte goud van WalloniŽ bracht jaarlijks gemiddeld 550.000 F in de staatskas, vijf keer minder dan wat de fiscus in Vlaanderen aan extra's boven haalde.

De noord-zuid vergelijking mag niet doen vergeten dat er binnen de regio's grote verschillen in ontwikkeling bestonden tussen de provincies en dat er binnen de provincies zowel groeipolen als achtergebleven gebieden zijn aan te wijzen. Het ontbreken van deze nuanceringen belet de vastgestelde verschillen met meer nauwkeurigheid ruimtelijk te lokaliseren.

Een verklaring voor het raadsel waarmee we worden geconfronteerd, zou kunnen zijn dat Vlaanderen systematisch benadeeld werd door een verschillende interpretatie van de fiscale wetgeving. Het is nochtans moeilijk zich voor te stellen dat ontegenzeggelijk bekwame en correcte ambtenaren in de 19de eeuw zulke daad zouden hebben overwogen, laat staan meer dan 80 jaar zonder haperen zouden hebben uitgevoerd. Hun fiscale bril was niet communautair misvormd.

Er zou kunnen geopperd worden dat de niet onbelangrijke loontransfers van Zuid naar Noord een rol gespeeld hebben. Maar waarom hebben de doorgaans beter betaalde en in ieder geval veel talrijker Waalse arbeiders in hun regio dan geen meetbaar spoor achtergelaten?

En wat als in dit verhaal enkel de betaalde bedragen reŽel zijn? De belastingbasis zal dan ook wel met de werkelijkheid overeenstemmen, maar het is nog de vraag of daarmee ook de echte relatieve rijkdom of inkomens werden aangeduid. Was de fiscale bril niet gericht op verkeerde welvaartsindicatoren? Waarschijnlijk wel en de uitweiding over het patentrecht had precies de bedoeling aan te tonen dat de wetgeving zelf in gebreke was gebleven.

In 1910 verzamelden de ambtenaren 72,4 miljoen F aan directe belastingen na ijverig tellen en evalueren van deuren en vensters en hardnekkig achtervolgen van marktkramers en straatventers. In dat jaar - en pas dan - brachten de naamloze vennootschappen ook veel geld op, 9,5 miljoen F op een uitgekeerde winst van 452 miljoen goudfrank.

De fiscale wetgeving, ontworpen in het begin van de 19de eeuw, werd niet aangepast aan de snel veranderende economische gegevens en kon de vooral in het Zuiden gevestigde zware nijverheid niet naar behoren belasten. Diezelfde onaangepaste wetgeving zorgde er wel voor dat het in het begin van de eeuw relatief rijke agrarische Vlaanderen nog een eeuw lang op zijn verleden belast werd.

De verantwoordelijkheid voor het volgehouden verkeerde gebruik van een onaangepaste fiscale bril lag bij de benadeelden. En die zwegen. Ze zwijgen nog steeds.

"Et prions Dieu qu'il tous nous veuille absoudre" (FranÁois Villon)

Juul Hannes.

Terug